SFDR 2.0: van voorstel naar onderhandeling

De herziening van SFDR begint steeds meer vorm te krijgen. In dit artikel bespraken we het eerste voorstel van de Europese Commissie voor SFDR 2.0. Inmiddels hebben ook de Raad en het Parlement hun onderhandelingsmandaten vastgesteld. Daarmee wordt steeds duidelijker hoe het toekomstige SFDR-kader eruit kan gaan zien en over welke punten nog discussie bestaat.

Over de belangrijkste verandering lijkt brede overeenstemming te bestaan. Het huidige onderscheid tussen artikel 6-, 8- en 9-classificaties moet plaatsmaken voor drie productcategorieën: ‘Transition’, ‘ESG Basics’ en ‘Sustainable’. Voor financiële instellingen kan dit leiden tot ingrijpende veranderingen in de wijze waarop duurzame financiële producten worden gekwalificeerd en gepresenteerd.

Over de precieze voorwaarden zijn de Europese instellingen het echter nog niet eens. Zo verschillen de standpunten onder meer over de rapportageverplichtingen, de rol van de EU-taxonomie en de behandeling van fossiele activiteiten. Juist deze verschillen zullen bepalend zijn voor de uiteindelijke regels.

De wetgevingsprocedure is nog niet afgerond. De Raad en het Parlement hebben inmiddels hun onderhandelingsmandaat vastgesteld. Het Parlement bevestigde het door de ECON-commissie aangenomen mandaat op 7 oktober 2026. Daarmee zijn de onderhandelingen tussen de Commissie, de Raad en het Parlement over een gezamenlijke compromistekst gestart. Een eventueel politiek akkoord moet vervolgens nog formeel door het Parlement en de Raad worden goedgekeurd. SFDR 2.0 is dus nog geen geldend recht en ook de definitieve toepassingsdatum staat nog niet vast.

In dit artikel leggen we de voorstellen en standpunten naast elkaar. Waar zijn de Europese instellingen het over eens, waar verschillen ze nog van mening en welke onderwerpen zullen naar verwachting centraal staan tijdens de onderhandelingen over de definitieve wettekst van SFDR 2.0?

Het vertrekpunt van de herziening: het Commissievoorstel

Voordat we de posities van de Commissie, de Raad en het Parlement vergelijken, frissen we kort het geheugen op. Wat stelde de Commissie voor?

Het Commissievoorstel voorzag allereerst in een beperking van de reikwijdte van de SFDR en een aanzienlijke vermindering van de rapportageverplichtingen. Daarnaast zou de definitie van ‘duurzame belegging’ verdwijnen. De huidige indeling in artikel 6-, 8- en artikel 9-producten zou plaatsmaken voor een nieuw, vrijwillig categoriseringsstelsel met drie productcategorieën:

  1. Transition
  2. ESG Basics
  3. Sustainable

Deze categorieën vormen de basis van het voorgestelde SFDR 2.0-kader. De komende onderhandelingen moeten uitwijzen onder welke voorwaarden een product als Transition, ESG Basics of Sustainable mag worden aangeduid.

De Commissie, de Raad en het Parlement naast elkaar

Het Commissievoorstel vormt het vertrekpunt voor SFDR 2.0, maar de Raad en het Parlement leggen op verschillende onderdelen andere accenten. De hoofdlijnen blijven daarbij grotendeels overeind: alle drie gaan uit van drie nieuwe productcategorieën en een drempel van 70%.

De verschillen zitten vooral in de voorwaarden waaraan producten binnen deze categorieën moeten voldoen en in de praktische uitwerking van het nieuwe kader. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de standpunten.

Onderwerp Overeenkomsten Verschillen en knelpunten
Categoriseringsstelsel Er komen drie vrijwillige productcategorieën: Transition, ESG Basics en Sustainable. Voor elk van deze categorieën geldt in beginsel dat ten minste 70% van de beleggingen aan de toepasselijke categoriecriteria moet voldoen. De huidige definitie van “duurzame belegging” komt te vervallen. Het gebruik van duurzaamheidsclaims en productnamen die aan een specifieke categorie zijn voorbehouden, is alleen toegestaan als het product aan de criteria van die categorie voldoet. De resterende verschillen betreffen vooral de kwalificerende beleggingen, uitsluitingen, PAI-verplichtingen, de behandeling van blends en de overgangsregels. Alleen de Raad maximeert de reguliere ramp-up-periode voor het voldoen aan de 70%-drempel in beginsel op drie jaar; Commissie en Parlement stellen geen vaste maximumduur op vast.

Het Parlement voegt daarnaast een jaarlijkse websiteverplichting toe, op grond waarvan financiëlemarktdeelnemers moeten rapporteren welk aandeel van hun totale beheerde vermogen en welk aandeel van hun totale aantal producten binnen elk van de drie categorieën valt.

Transition 70%-drempel. Als kwalificerende beleggingen komen onder meer ondernemingen of activiteiten met geloofwaardige transitieplannen of science-based targets, portefeuilledoelstellingen en andere aantoonbare bijdragen aan de transitie in aanmerking. Daarnaast gelden alternatieve kwalificatieroutes via EU-klimaatbenchmarks en Taxonomy-alignment. Engagement kan niet zelfstandig als transitiestrategie worden gebruikt, maar alleen in combinatie met een andere kwalificerende transitiestrategie. Een van de belangrijkste knelpunten betreft de behandeling van beleggingen in ondernemingen met fossiele activiteiten. De Commissie handhaaft een 1%-omzetuitsluiting voor steenkool en bruinkool en sluit daarnaast ondernemingen uit die nieuwe fossiele projecten ontwikkelen. Voor bepaalde kolenactiviteiten geldt bovendien een uitsluiting wanneer nieuwe projecten worden ontwikkeld of geen uitfaseringsplan bestaat.

De Raad schrapt de 1%-uitsluiting en vervangt deze door een uitsluiting voor ondernemingen met omzet uit steenkool, bruinkool, olie of gas, met een uitzondering voor ondernemingen die ten minste 20% van hun totale CapEx besteden aan Taxonomy-aligned activiteiten en beschikken over een tijdgebonden en meetbare strategie voor de reductie van Scope 1- en 2-emissies die verenigbaar is met het Akkoord van Parijs.

Het Parlement volgt deze carve-out grotendeels, maar handhaaft de 1%-uitsluiting voor steenkool en bruinkool. Bij kolengerelateerde activiteiten verlangt het Parlement daarnaast een uitfaseringsplan en moet over een voortschrijdende periode van drie jaar gemiddeld een groter aandeel van de totale CapEx naar Taxonomy-aligned activiteiten gaan dan naar de ontwikkeling van nieuwe fossiele projecten. Raad en Parlement stellen bovendien aanvullende vereisten aan de due diligence en monitoring van beleggingen die bijdragen aan de transitiedoelstelling.

ESG Basics 70%-drempel. Als kwalificerende beleggingen komen onder meer in aanmerking: beleggingen met een ESG-rating die beter presteert dan het gemiddelde van het beleggingsuniversum of de referentiebenchmark, beleggingen die beter presteren op passende duurzaamheidsindicatoren, combinaties met voor Transition of Sustainable kwalificerende beleggingen en andere beleggingen waarbij duurzaamheidsfactoren aantoonbaar worden geïntegreerd. De Commissie verlangt bij de indicatorroute outperformance op één passende duurzaamheidsindicator; Raad en Parlement verlangen outperformance op ten minste twee indicatoren. Commissie en Parlement behouden daarnaast een bewezen positief duurzaamheidstrackrecord als zelfstandige kwalificatieroute. De Raad schrapt deze zelfstandige route, maar verlangt binnen de restcategorie dat bij voorkeur wordt belegd in ondernemingen of economische activiteiten met een bewezen positief trackrecord op het gebied van duurzaamheidsprocessen, -prestaties of -uitkomsten.

Alleen het Parlement introduceert voor ESG Basics een productgerichte PAI-verplichting, waarbij in ieder geval de blootstelling aan ondernemingen die actief zijn in de fossiele sector moet worden gerapporteerd. De Raad verduidelijkt daarnaast specifiek dat private en reële activa aan de 70%-drempel kunnen bijdragen wanneer de integratie van duurzaamheidsfactoren wordt onderbouwd met gedocumenteerde, voor de betreffende activaklasse passende informatie en methodologieën.

Sustainable 70%-drempel. ls kwalificerende beleggingen komen onder meer in aanmerking: Europese groene obligaties, bepaalde andere use-of-proceeds-instrumenten, verrichtingen in het kader van EU-programma’s en andere beleggingen die aantoonbaar bijdragen aan een ecologische en/of sociale duurzaamheidsdoelstelling. Daarnaast bestaan alternatieve kwalificatieroutes via een EU Paris-aligned Benchmark en via een minimumaandeel Taxonomy-aligned beleggingen. De Raad gebruikt de formulering “ecologische en/of sociale doelstellingen” en maakt daarmee expliciet dat een product uitsluitend een ecologische of uitsluitend een sociale doelstelling kan nastreven. Commissie en Parlement behouden de formulering “ecologische en sociale doelstellingen”; daaruit volgt niet noodzakelijk dat ieder product beide typen doelstellingen moet combineren, maar de formulering is minder expliciet.

Voor de Taxonomy-route hanteren Commissie en Raad een drempel van 15%, terwijl het Parlement 20% verlangt. Ook verschillen de PAI-verplichtingen. De Commissie schrijft geen specifieke verplichte PAI-indicatoren of minimumaantal voor. De Raad verlangt ten minste drie voor het product relevante PAI-indicatoren. Het Parlement schrijft voor Sustainable vier minimumindicatoren voor: fossiele blootstelling, broeikasgasemissies, negatieve effecten op biodiversiteitsgevoelige gebieden en blootstelling aan ondernemingen zonder processen en mechanismen voor monitoring van naleving van de UNGP en OESO-richtlijnen.

Impact Impact vormt geen zelfstandige productcategorie, maar een aanvullende aanduiding voor Transition- en Sustainable-producten; de impact add-on is niet beschikbaar voor ESG Basics. Voor producten die hiervan gebruikmaken gelden aanvullende precontractuele en periodieke informatieverplichtingen over onder meer de beoogde impact, de theory of change en de wijze waarop de beoogde impact en de bijdrage van de belegging en de belegger worden gemeten, beheerd en gerapporteerd. De term ‘impact’ in productnamen is voorbehouden aan producten die de impact add-on gebruiken. De Commissie omschrijft impact daarbij als een vooraf bepaalde, positieve en meetbare ecologische of sociale impact. Er bestaat op Level 1 geen wezenlijk verschil over de beschikbaarheid of de kernvereisten van de impact add-on. De Raad scherpt de overwegingen wel aan door explicieter de nadruk te leggen op intentionaliteit, daadwerkelijke impact in de reële wereld en het meten van die impact binnen een theory of change. Daarnaast benadrukt de Raad dat impactbeleggen zich mede zou moeten richten op ecologische en sociale behoeften waarin markt- of overheidsinterventies onvoldoende voorzien, waarmee het concept additionaliteit wordt versterkt.

Het Parlement sluit inhoudelijk aan bij Commissie en Raad en introduceert geen wezenlijk afwijkende productvoorwaarden voor de impact add-on. Wel stelt het Parlement voor dat binnen de Platform on Sustainable Finance een subgroep kan adviseren over onder meer implementatie, databeschikbaarheid en relevante internationale standaarden en benaderingen.

Blends Een gecombineerd product, zoals een fund-of-funds of multi-option product, kan zelf als Transition, ESG Basics of Sustainable worden gecategoriseerd wanneer het via de onderliggende beleggingen aan de toepasselijke 70%-drempel en overige categorievoorwaarden voldoet. Producten die niet aan deze voorwaarden voldoen, mogen slechts beperkt informatie verstrekken over het aandeel van hun beleggingen in gecategoriseerde producten. De Raad introduceert een expliciete hiërarchie volgens het lowest common denominator-principe: een product dat uitsluitend in Sustainable-producten en andere voor Sustainable kwalificerende beleggingen belegt, kwalificeert als Sustainable; een combinatie van Sustainable en Transition leidt tot Transition; en zodra ook ESG Basics-beleggingen worden opgenomen, resulteert dit in ESG Basics.

De Commissie en het Parlement bevatten deze expliciete hiërarchie niet. De Parlementstekst lijkt voor de 70%-drempel een vorm van look-through naar het kwalificerende aandeel van de onderliggende portefeuilles te verlangen. De formulering is echter niet geheel duidelijk en kan operationeel complexer en zwaarder uitpakken dan de Raadsbenadering.

Niet-gecategoriseerde producten Niet-gecategoriseerde producten mogen beperkt toelichten of en hoe zij duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen. Deze informatie moet ondergeschikt zijn qua omvang en positionering, neutraal worden gepresenteerd en minder dan 10% beslaan van de ruimte die wordt ingenomen door de beschrijving van de beleggingsstrategie. De duurzaamheidsinformatie mag geen centrale rol krijgen en mag in beginsel niet neerkomen op duurzaamheidsclaims die zijn voorbehouden aan gecategoriseerde producten. De Raad maakt een expliciete uitzondering voor claims over de integratie van duurzaamheidsfactoren op het niveau van ESG Basics: dergelijke claims zijn binnen de overige beperkingen toegestaan. De Raad verlangt daarnaast in de precontractuele informatie een disclaimer dat het product niet voldoet aan de minimumcriteria om onder EU-recht als duurzaamheidsgerelateerd financieel product te kwalificeren.

Het Parlement handhaaft de beperking dat de informatie geen claim mag vormen die onder Transition, ESG Basics of Sustainable valt. Daarnaast verlangt het Parlement dat de verstrekte duurzaamheidsinformatie een getrouw beeld geeft van de feitelijke samenstelling van de portefeuille en verbiedt het verwijzingen naar vrijwillige duurzaamheidslabels waarvan de vereisten niet verder gaan dan die van de EU-categorieën. In de periodieke rapportage moet bovendien prominent worden vermeld dat het product niet onder de EU-standaarden voor duurzame financiële producten is gecategoriseerd.

PAI-indicatoren De voorstellen kennen voor duurzaamheidsgerelateerde producten verplichtingen rond de openbaarmaking van belangrijkste ongunstige effecten (PAI), waarbij indicatoren op Level 2 nader worden uitgewerkt. De voorstellen verschillen met name in de mate waarin het gebruik van deze indicatoren verplicht is.

 

De Commissie stelt voor Transition- en Sustainable-producten geen specifieke verplichte PAI-indicatoren of minimumaantal vast. Het gebruik van de op Level 2 uit te werken indicatoren is volledig vrijwillig.

De Raad verlangt voor Transition- en Sustainable-producten ten minste drie indicatoren uit de Level 2-lijst die het meest relevant zijn voor de doelstellingen van het product. Alternatieve indicatoren zijn alleen toegestaan indien kan worden aangetoond dat geen van de opgenomen indicatoren relevant is. Voor Transition-producten die mogen beleggen in bepaalde fossiele activiteiten geldt daarnaast een verplichte indicator voor de blootstelling aan ondernemingen die actief zijn in de fossiele sector.

Het Parlement schrijft per productcategorie specifieke minimumindicatoren voor. Voor Transition-producten zijn dat blootstelling aan de fossiele sector, broeikasgasemissies en ten minste één aanvullende relevante indicator. Voor ESG Basics geldt minimaal de indicator voor blootstelling aan de fossiele sector. Voor Sustainable-producten zijn vier indicatoren verplicht: blootstelling aan de fossiele sector, broeikasgasemissies, activiteiten die biodiversiteitsgevoelige gebieden negatief beïnvloeden en blootstelling aan ondernemingen zonder processen en mechanismen om de naleving van de UNGP en OESO-richtlijnen te monitoren.

EU-Taxonomie De EU-Taxonomie vormt voor zowel Transition- als Sustainable-producten een afzonderlijke kwalificatieroute. Voor Transition-producten hanteren Commissie, Raad en Parlement dezelfde drempel: meer dan 15% van de beleggingen moet Taxonomy-aligned zijn. Voor Sustainable-producten hanteren Commissie en Raad eveneens een drempel van meer dan 15% Taxonomy-aligned beleggingen. Het Parlement verlangt een hoger aandeel van meer dan 20%.
Opt-out en grandfathering Commissie, Raad en Parlement voorzien in grandfathering voor closed-ended financiële producten die vóór de toepassingsdatum van SFDR 2.0 zijn gecreëerd en gedistribueerd en daarna niet langer worden gedistribueerd. Voor deze producten kan ervoor worden gekozen de nieuwe productregels niet toe te passen. Raad en Parlement voorzien daarnaast in een opt-out voor AIF’s die uitsluitend beschikbaar zijn voor MiFID II per se-professionele cliënten. AIF-opt-out: de Commissie kent geen afzonderlijke opt-out voor producten die uitsluitend aan professionele beleggers worden aangeboden. Raad en Parlement beperken de opt-out tot AIF’s die uitsluitend beschikbaar zijn voor MiFID II per se-professionele cliënten; elective professional clients en retailbeleggers vallen daarbuiten. Bij de Raad omvat de opt-out naast de productcategorieën en de regels voor niet-gecategoriseerde producten ook de beperkingen op duurzaamheidsclaims in productnamen en marketingcommunicatie. Het Parlement laat deze marketing- en naamgevingsregels juist buiten de opt-out en stelt daarnaast aanvullende voorwaarden aan het gebruik ervan.

Grandfathering: de Commissie ziet op closed-ended producten die vóór toepassing zijn gecreëerd en gedistribueerd. De Raad concretiseert dat deze producten gesloten moeten zijn voor nieuwe beleggers en daarna niet meer mogen worden aangeboden. Het Parlement verduidelijkt daarnaast dat bestaande contractuele verplichtingen en duurzaamheidsinformatie die op grond van SFDR 1.0 zijn verstrekt, van toepassing blijven en niet als duurzaamheidsclaims onder SFDR 2.0 worden aangemerkt.

Inwerkingtreding en overgang Alle drie de instellingen voorzien in een overgangsperiode voor de toepassing van SFDR 2.0 en in een afzonderlijke regeling voor IBIP’s, pensioenproducten, pensioenregelingen en PEPP’s. Raad en Parlement hanteren voor het algemene SFDR 2.0-regime een toepassingstermijn van 24 maanden na inwerkingtreding, tegenover 18 maanden in het Commissievoorstel. Commissie en Parlement bepalen dat de productspecifieke regels voor de genoemde verzekerings- en pensioenproducten twaalf maanden na de algemene toepassingsdatum gaan gelden.

Raad en Parlement laten daarnaast vanaf de inwerkingtreding van Level 1 bepaalde entiteitsverplichtingen uit SFDR 1.0 vervallen. Dit betreft de entiteitsinformatie over PAI’s, de integratie van duurzaamheidsrisico’s in het beloningsbeleid en de informatieverplichtingen voor vermogensbeheerders en financieel adviseurs.

Bij de Commissie bedraagt de algemene toepassingstermijn 18 maanden. Voor IBIP’s, pensioenproducten, pensioenregelingen en PEPP’s gaan de productspecifieke regels twaalf maanden later gelden, dus 30 maanden na inwerkingtreding. Het Parlement hanteert een algemene termijn van 24 maanden en eveneens een aanvullende termijn van twaalf maanden voor deze producten, waardoor de productspecifieke regels na 36 maanden van toepassing worden.

De Raad hanteert eveneens een algemene toepassingstermijn van 24 maanden, maar geeft marktdeelnemers de mogelijkheid om de toepassing van de productspecifieke regels voor deze verzekerings- en pensioenproducten met maximaal twaalf maanden uit te stellen. Wie van deze mogelijkheid gebruikmaakt, moet gedurende die periode SFDR 1.0 op de betreffende producten blijven toepassen en cliënten hierover informeren. Anders dan Raad en Parlement voorziet de Commissie niet in onmiddellijke verlichting van de hiervoor genoemde SFDR 1.0-entiteitsverplichtingen; deze blijven onder het Commissievoorstel gelden tot de algemene toepassingsdatum.

Voor een nadere verdieping heeft de Raad de standpunten van de Commissie, de Raad en het Parlement in een line-by-line-overzicht naast elkaar gezet.

Wat betekenen de verschillen voor de verdere onderhandelingen?

De drie onderhandelingsposities laten een aanzienlijke mate van overeenstemming zien over de fundamentele architectuur van SFDR 2.0. De drie productcategorieën – Transition, ESG Basics en Sustainable – en de 70%-hoofdregel komen terug in alle drie de posities. Daarmee lijkt het zwaartepunt van de verdere onderhandelingen vooral te liggen bij de precieze voorwaarden waaronder producten voor deze categorieën kunnen kwalificeren en de verplichtingen die daaraan worden verbonden.

Een belangrijk onderhandelingspunt is hoe strikt de criteria voor de verschillende productcategorieën worden vormgegeven. De verschillen zien onder meer op de toegestane beleggingen, de uitsluitingen en de mogelijkheid om via gedelegeerde regelgeving tijdelijke afwijkingen daarvan toe te staan. Daarbij kiest de Raad op verschillende onderdelen voor meer flexibiliteit, onder meer voor private markten en bepaalde beleggingen in ondernemingen met fossiele activiteiten. Het Parlement stelt daar op onderdelen strengere voorwaarden tegenover. Ook de behandeling van staats- en andere publieke schuldinstrumenten en de voorwaarden waaronder deze kunnen meetellen voor de categorieën vragen nog om nadere afstemming.

Ook de rol van PAI-indicatoren verschilt wezenlijk. Het Commissievoorstel schrijft voor Transition- en Sustainable-producten geen specifieke verplichte indicatoren of minimumaantal voor. De Raad verlangt voor deze categorieën ten minste drie relevante PAI-indicatoren. Het Parlement kiest voor categorie-specifieke minimumindicatoren en introduceert daarnaast ook voor ESG Basics een verplichte indicator voor blootstelling aan de fossiele sector. De trilogen zullen daarom moeten uitwijzen in hoeverre PAI-indicatoren een verplicht en gestandaardiseerd onderdeel van de nieuwe productcategorieën worden.

Daarnaast bestaat verschil over de alternatieve kwalificatieroute via de EU-Taxonomie. Voor Transition hanteren de drie instellingen een 15%-drempel. Voor Sustainable hanteren Commissie en Raad eveneens 15%, terwijl het Parlement een hogere drempel van 20% voorstelt.

Ook de behandeling van gecombineerde producten is nog niet uitgekristalliseerd. De Raad hanteert een expliciete categoriehiërarchie waarbij de laagste categorie binnen de combinatie in beginsel bepalend is. De Parlementstekst bevat deze hiërarchie niet op dezelfde wijze en lijkt voor de beoordeling van de 70%-drempel een vorm van look-through naar de kwalificerende beleggingen van de onderliggende producten te vereisen. De formulering is op dit punt echter niet geheel duidelijk en kan operationeel zwaarder uitpakken dan de Raadsbenadering.

Voor professionele AIF’s lijken Raad en Parlement naar elkaar toe te bewegen: beide voorzien in een opt-out voor AIF’s die uitsluitend beschikbaar zijn voor MiFID II per se-professionele cliënten. De precieze reikwijdte blijft echter onderwerp van onderhandeling. De Raad laat ook bepaalde marketingregels buiten toepassing, terwijl de Parlementaire opt-out deze regels niet omvat en aanvullende voorwaarden stelt. Nu beide medewetgevers een dergelijke opt-out ondersteunen, lijkt vooral de vormgeving ervan nog open te staan.

Ten slotte moet overeenstemming worden bereikt over de overgang naar het nieuwe regime. Raad en Parlement kiezen voor een algemene toepassingstermijn van 24 maanden, tegenover 18 maanden in het Commissievoorstel. Ook voor bepaalde verzekerings- en pensioenproducten bestaan verschillende overgangsmechanismen. De overeenstemming tussen Raad en Parlement over de algemene termijn maakt een toepassingstermijn van 24 maanden evenwel aannemelijker.

 

De centrale afweging in de verdere onderhandelingen is daarmee niet langer zozeer óf SFDR 2.0 een stelsel van drie productcategorieën met een 70%-drempel krijgt, maar vooral hoe toegankelijk en strikt deze categorieën uiteindelijk worden vormgegeven. De uitkomst van de onderhandelingen over onder meer uitsluitingen, PAI-indicatoren, alternatieve kwalificatieroutes, blends en de professionele-AIF-opt-out zal bepalen hoeveel flexibiliteit financiëlemarktdeelnemers krijgen en hoeveel aanpassing van bestaande producten, beleggingsstrategieën en disclosures nodig zal zijn.

Vooruitblik

Nu de Raad en het Parlement over een onderhandelingsmandaat beschikken, zijn de triloogonderhandelingen over SFDR 2.0 gestart. Centraal staat de balans tussen flexibiliteit en lastenverlichting enerzijds en vergelijkbaarheid en bescherming tegen greenwashing anderzijds. De belangrijkste geschilpunten zijn naar verwachting de verplichte PAI-indicatoren, de taxonomiedrempels, fossiele beleggingen, de behandeling van blends en de ruimte voor duurzaamheidsclaims door niet-gecategoriseerde producten. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is dat de uiteindelijke categoriecriteria voldoende duidelijk en uniform toepasbaar zijn om te voorkomen dat opnieuw moeilijk vergelijkbare productlabels ontstaan.

Ook na een akkoord over de Level 1-verordening zal SFDR 2.0 nog niet volledig zijn uitgewerkt. Een belangrijk deel van de criteria, indicatoren, berekeningsmethoden en informatieverstrekkingsvereisten moet vervolgens nader worden ingevuld in Level 2-regelgeving.

De toepassingstermijn staat eveneens nog niet vast. De Commissie stelt een termijn van 18 maanden na inwerkingtreding voor, terwijl de Raad en het Parlement uitgaan van 24 maanden. Voor bepaalde verzekerings- en pensioenproducten is bovendien een aanvullende termijn van twaalf maanden voorgesteld. Gelet op de resterende onderhandelingen en de voorgestelde overgangstermijnen zal het nieuwe regime naar verwachting op zijn vroegst eind 2028, maar waarschijnlijk pas in 2029 van toepassing worden.

Dinand Jansen, Risk & Compliance consultant | Projective Group