De implementatie van de SFDR in de praktijk: 90 ondernemingen, 50 tinten groen

Enkele weken na de implementatie van de Sustainable Finance Disclosure Regulation (“SFDR”) is er nog een hoop werk aan de winkel voor veel financiële instellingen. Dat blijkt uit een onderzoek dat Charco & Dique heeft uitgevoerd onder 90 financiële instellingen. De onderzoekers zagen grote verschillen tussen de ondernemingen die ze hebben onderzocht. Waar sommige partijen nog helemaal geen SFDR-publicaties op hun website hadden opgenomen, hadden andere partijen uitgebreide verklaringen gepubliceerd, die soms meerdere pagina’s besloegen. Verder wisselde de juistheid, volledigheid, duidelijkheid en vindbaarheid van de informatie sterk.

Achtergrond

Op 10 maart 2021, ruim een jaar na publicatie in het Publicatieblad van de EU, werden de meeste bepalingen van de Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) van toepassing. Deze Verordening roept aanzienlijke verplichtingen in het leven voor financiële ondernemingen. Deze verplichtingen ook gelden voor ondernemingen zonder duurzaamheidsambitie of -focus (‘grijze’ ondernemingen).

De meeste verplichtingen die op 10 maart 2021 van toepassing zijn geworden hebben betrekking op de informatievoorziening op de website. Financiële marktdeelnemers en financieel adviseurs moeten daarop onder meer uitleggen hoe zij omgaan met duurzaamheidsrisico’s en of zij rekening houden met ongunstige duurzaamheidseffecten. Daarnaast moeten zij – indien zij zogeheten ‘groene’ producten of diensten aanbieden – aanvullende duurzaamheidsinformatie over deze producten en diensten opnemen.

Om uit te zoeken in hoeverre ondernemingen in deze opdracht geslaagd zijn, voerden we een steekproef uit onder 90 (willekeurig geselecteerde) financiële ondernemingen: 30 pensioenfondsen, 30 beleggingsondernemingen en 30 beheerders van beleggingsinstellingen. We bezochten de websites van deze ondernemingen, en zochten uit of de gevraagde SFDR-informatie beschikbaar was. In de volgende paragrafen gaan we in op onze belangrijkste conclusies. Daarbij beschrijven we eerst onze algemene bevindingen. Vervolgens werpen we een blik op de resultaten per type financiële onderneming.

De bevindingen in hoofdlijnen

De cijfers

In totaal hebben we 90 websites van financiële ondernemingen onder de loep genomen. Om u een eerste indruk te geven van onze bevindingen, zetten we allereerst de belangrijkste cijfers op een rij:

  • Bijna de helft (44.4%) van de onderzochte websites bevatte geen statement over de integratie van duurzaamheidsrisico’s. Wanneer er wel een tekst over duurzaamheidsrisico’s was gepubliceerd, voldeed deze ons inziens lang niet altijd aan de eisen van art. 3 SFDR.
  • Ook ontbrak de verklaring over ongunstige duurzaamheidseffecten (“PAI’s”) bij 37.8% van de ondernemingen. Met andere woorden: 37.8% van de ondernemingen liet niet weten of zij PAI’s in aanmerking nam bij het beleggen. De overige partijen hadden wel een heldere verklaring opgenomen: 25.6% gaf aan PAI’s mee te wegen, en 36.7% gaf aan dit niet te doen.
  • De meeste partijen stonden niet te springen om hun producten als lichtgroen of donkergroen aan te merken: slechts 24.1% van de onderzochte ondernemingen gaf op haar website aan een lichtgroen product aan te bieden. Donkergroene producten waren nog minder populair: slechts 10.8% van de onderzochte ondernemingen schreef op haar website dat zij een donkergroen product op het schap had liggen.[1]

[1] Bij deze berekeningen zijn de partijen die uitsluitend beleggingsadvies verlenen buiten beschouwing gelaten. Zij zijn op grond van de SFDR immers niet verplicht om hun dienstverlening te kwalificeren als grijs, lichtgroen of donkergroen.

Inhoudelijke bevindingen

De cijfers zeggen natuurlijk niet alles. Hoe uitgebreid en gedetailleerd zijn de openbaarmakingen? Hoe motiveren ondernemingen hun keuzes? Klopt de gebruikte terminologie?

Er is nog veel onduidelijkheid met betrekking tot de SFDR. We wagen ons daarom vooralsnog niet aan een kwaliteitsoordeel over de teksten. Wanneer een publicatie precies ‘voldoet’, staat immers nog niet met zekerheid vast.

We kunnen echter wel een aantal zaken toelichten die ons opvielen. Het uiteindelijke doel van de SFDR is dat klanten meer inzicht krijgen in de duurzaamheid van financiële ondernemingen, producten en diensten, zodat zij in staat zijn een weloverwogen besluit te nemen. Met dat doel in ons achterhoofd, zijn er vijf onderwerpen waar we nader op ingaan:

  • De vindbaarheid van de informatie;
  • Het gebruik van SFDR-terminologie en verwarring over het verschil tussen artikel 3 en 4 SFDR;
  • Obstakels die door financiële ondernemingen worden geïdentificeerd;
  • Toepassing van de Level 2-formats; en
  • Aanzienlijke discrepanties in de kwalificaties van financiële producten.

De vindbaarheid van de informatie

De vindbaarheid van de SFDR-gerelateerde informatie wisselt sterk. Bij sommige websites is het direct duidelijk waar je moet zijn, maar bij andere partijen is de SFDR-informatie toch echt too many clicks away. Verder valt op dat veel ondernemingen (met name beheerders van beleggingsinstellingen) de informatie hebben geplaatst onder een kopje ‘SFDR’. Dat lijkt logisch, maar je kunt je afvragen of de gemiddelde websitebezoeker begrijpt dat een SFDR-knop je naar informatie over duurzaamheid leidt.

Ook hebben sommige partijen de informatie afgeschermd. De informatie zit dan achter een wall, en kan alleen worden ingezien wanneer de bezoeker inlogt. Je kunt je afvragen of je in dit geval wel kunt spreken van het ‘publiceren’ van informatie. Anderzijds is het ook begrijpelijk dat partijen de privacy van klanten willen (en moeten!) respecteren, waardoor zij openbaarmaking van bepaalde informatie wellicht niet mogelijk hebben geacht.

Het gebruik van SFDR-terminologie

De begrippen die de SFDR hanteert zorgen al lange tijd voor verwarring. Een ‘duurzaamheidsrisico’ in de SFDR is iets anders dan een ‘duurzaamheidsrisico’ in een EBA Discussion Paper of in het IMVB. Een ‘financieel product’ volgens de SFDR is niet hetzelfde als een ‘financieel product’ zoals omschreven in de Wet op het financieel toezicht. En de term ‘ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren’ laat ook ruimte voor eigen interpretaties.

Deze onduidelijkheden hebben onmiskenbaar geleid tot een aantal foutieve – of op zijn minst incoherente – publicaties. Zo maken veel partijen geen helder onderscheid tussen duurzaamheidsrisico’s en ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren. En wanneer dit onderscheid wel gemaakt wordt, worden de twee met regelmaat door elkaar gehaald.

Obstakels die door ondernemingen worden geïdentificeerd

Opvallend veel partijen geven aan dat zij moeite hebben om duurzaamheidsfactoren in hun beleggingsproces te integreren, omdat de huidige datavoorziening hiervoor nog onvoldoende zou zijn. Het gaat dan zowel om de data die nodig is voor de integratie van duurzaamheidsrisico’s, als om de data die nodig zou zijn voor het meewegen van PAI’s.

Ondernemingen vinden dat duurzaamheidsdata onder meer onvoldoende betrouwbaar, onvoldoende volledig, duur, niet goed vergelijkbaar en niet eenvoudig verkrijgbaar is. Overigens is dit niets nieuws. Halverwege 2020 maakte een consultatie over de Richtlijn niet-financiële rapportage al duidelijk dat ondernemingen ontevreden zijn over de huidige datavoorziening gebrekkig is. Ook riepen de AFM en de AMF (de Franse toezichthouder) in december 2020 in een position paper op tot verdere regulering van ESG-data.

Verder stellen enkele ondernemingen dat het integreren van duurzaamheidsfactoren moeizaam gaat wanneer er passief wordt belegd en wanneer externe vermogensbeheerders worden ingeschakeld. Deze partijen menen dat hun invloed in zulke situaties beperkt is.

Tot slot meent een aantal partijen dat er momenteel nog onvoldoende ‘duurzame’ beleggingen beschikbaar zijn om hun beleggingsstrategie uit te kunnen voeren en/of om voldoende spreiding aan te kunnen brengen.

Toepassing van de Level 2-formats

Een aantal instellingen heeft de teksten al opgesteld conform de templates die worden voorgeschreven in de Level 2-regelgeving bij de SFDR. Dat had niet per se gehoeven (de Level 2-regelgeving wordt op zijn vroegst in januari 2022 van toepassing), maar het gaat deze instellingen wel werk schelen op het moment dat ook aan de Level 2-regels moet worden voldaan.

De formattering van de teksten volgens de Level 2-templates is een behoorlijke prestatie, aangezien de ESA’s de definitieve versie van deze templates pas in februari 2021 hebben gepubliceerd. Bovendien vragen de templates om gedetailleerde informatie, waarvoor vaak ook veel data nodig is.

Discrepanties in de kwalificaties van financiële producten

Tot slot zagen we grote verschillen tussen ondernemingen wanneer het ging om de kwalificatie van hun producten (pensioenregelingen, beleggingsinstellingen en individuele portefeuilles). Op grond van de SFDR is een product ‘lichtgroen’ of ‘donkergroen’, maar in de praktijk lijkt er toch echt sprake van minstens vijftig tinten groen.

Er zijn partijen die hun beleggingsfilosofie volledig hebben gebaseerd op duurzaamheidsfactoren en/of de maximale duurzaamheidsscores krijgen van bekende dataproviders, maar die hun producten toch ‘lichtgroen’ noemen. Een keuze uit voorzichtigheid?

Daar tegenover staan ondernemingen die minder strenge criteria hanteren, maar hun producten toch ‘lichtgroen’ noemen. Hierbij worden beleggingen bijvoorbeeld getoetst aan de UNGP’s en wordt de tabaksindustrie uitgesloten.

Ook zien we een aantal instellingen die hun producten ‘grijs’ noemen, terwijl ze (als we de websites mogen geloven) toch behoorlijk wat doen op het gebied van duurzaamheid. Deze partijen hebben bijvoorbeeld een uitgebreid ESG-beleid, hebben zich gecommitteerd aan initiatieven als de UNPRI of de OESO-richtlijnen, of maken gebruik van ESG- en SRI-indices. In sommige gevallen wordt zelfs gesproken over ‘impact’ beleggingen.

Kortom: sommige grijze producten zijn in feite wellicht duurzamer dan sommige lichtgroene producten, en sommige lichtgroene product zijn misschien weer duurzamer dan enkele donkergroene producten. De productkwalificaties zijn op dit moment dus (nog) geen goede maatstaf voor de duurzaamheid van een financieel product, en zouden ook niet als zodanig door beleggers moeten worden geïnterpreteerd.

Lees het volledige artikel

Afbeelding: Pensioenfederatie

 

Share Button